Materie herwonnen
geschreven door Dominique Pieters | 18 mei 2026
Wie Mallorca en Menorca vandaag bezoekt met een architectonische blik, ontdekt geen idyllisch stilstaand landschap, maar een territorium in transitie. Achter de façade van toeristische iconografie ontvouwt zich een opmerkelijke herijking van wat bouwen kan betekenen in de eenentwintigste eeuw. Hier wordt architectuur opnieuw gelezen als een culturele praktijk die grondstoffen, arbeid en plaatselijke kennis met elkaar verbindt. Niet als nostalgie, niet als esthetische branding, maar als een vorm van materiële verantwoordelijkheid.
Wie Mallorca en Menorca vandaag bezoekt met een architectonische blik, ontdekt geen idyllisch stilstaand landschap, maar een territorium in transitie. Achter de façade van toeristische iconografie ontvouwt zich een opmerkelijke herijking van wat bouwen kan betekenen in de eenentwintigste eeuw. Hier wordt architectuur opnieuw gelezen als een culturele praktijk die grondstoffen, arbeid en plaatselijke kennis met elkaar verbindt. Niet als nostalgie, niet als esthetische branding, maar als een vorm van materiële verantwoordelijkheid.
De context van deze verschuiving is cruciaal. Vanaf het midden van de twintigste eeuw werden de eilanden overspoeld door een ongekende toeristische groei. De bouwindustrie moest tempo maken. Hotels, appartementen en infrastructuur werden gerealiseerd volgens internationale standaarden die snelheid, schaal en economische efficiëntie prioriteerden. Wat eeuwenlang vanzelfsprekend was — bouwen met marès-steen, met lokaal hout, met hydraulische tegels vervaardigd in kleine ateliers — werd verdrongen door beton, staal en geïmporteerde afwerkingssystemen. Niet enkel materialen verdwenen, maar ook kennis. Ambachtslieden legden hun gereedschap neer. Werkplaatsen sloten. De keten tussen groeve, atelier en werf werd verbroken.
Wat vandaag op Mallorca en Menorca gebeurt, kan alleen tegen deze achtergrond worden begrepen. De hedendaagse architectuurbeweging op de eilanden is geen stilistisch experiment, maar een poging om die verbroken keten te herstellen. In theoretische zin sluit dit aan bij het denken rond critical regionalism, zoals Kenneth Frampton het ooit formuleerde: een kritische herinterpretatie van plaats en klimaat als tegengewicht voor universele moderniteit. Maar waar critical regionalism in de jaren tachtig vooral sprak over tectoniek en zintuiglijke ervaring, is de huidige beweging expliciet ecologisch en economisch. Het gaat niet enkel om de tastbaarheid van steen of de schaduw in een patio, maar om de vraag waar materialen vandaan komen, wie ze produceert en welke ecologische kost zij dragen.
Marès-steen is daarbij emblematisch. Deze pleistocene zandsteen, gevormd uit samengedrukte zeezanden en schelpresten, ligt net onder het oppervlak van grote delen van Mallorca en Menorca. Eeuwenlang was hij het dominante bouwmateriaal: van de kathedraal van Palma tot La Lonja en talloze dorpshuizen. Zijn poreuze structuur reguleert temperatuur en vocht; zijn thermische inertie maakt hem bijzonder geschikt voor het mediterrane klimaat. In de twintigste eeuw werd marès gereduceerd tot decoratief element, overschaduwd door betonstructuren. Vandaag wordt hij opnieuw structureel ingezet. Niet als nostalgisch gebaar, maar als rationele keuze binnen een klimaatbewuste bouwpraktijk.
De groeve van Líthica op Menorca maakt deze materiële genealogie zichtbaar. Wat ooit een industriële site was, wordt nu gelezen als landschappelijk geheugen. De uitgesneden steenwanden tonen niet enkel extractie, maar arbeid en tijd. Architectuur ontstaat hier niet door toevoeging, maar door vrijmaking. Het landschap zelf wordt ruimte. Deze herlezing van de groeve is exemplarisch voor een bredere verschuiving: grondstof wordt niet langer gezien als anonieme voorraad, maar als cultureel en geografisch gebonden entiteit.
In dit veld opereert Aulets Arquitectes als een van de meest coherente stemmen. Hun begrip van “non-extractive architecture” is geen retorische slogan, maar een concrete praktijk. Met het initiatief Amarar onderzoeken zij hoe hout, ondanks de aanwezigheid van uitgestrekte dennenbossen op Mallorca, opnieuw lokaal kan worden gewonnen en verwerkt. Het feit dat het eiland vandaag grote hoeveelheden hout importeert, terwijl zijn bossen onderbenut blijven, toont de paradox van een extractieve economie die tegelijk afhankelijk en ontkoppeld is. Door een eigen schrijnwerkerij op te richten, verplaatst Aulets het ontwerpproces van de tekentafel naar de werkbank. Detaillering, verbindingen en toleranties worden niet achteraf opgelost, maar vormen het uitgangspunt van het ontwerp. Architectuur wordt opnieuw een maakproces.
Hetzelfde geldt voor de heropleving van hydraulische tegels via producenten als Huguet. Waar in de jaren zeventig bijna alle Mallorcaanse tegelateliers verdwenen onder druk van de bouwboom, wist Huguet te overleven en zich te transformeren. Vandaag werkt het bedrijf samen met internationale bureaus zoals Herzog & de Meuron, waarbij traditionele cementtegels en terrazzo een hedendaagse rol krijgen. Ambacht wordt hier niet gemusealiseerd, maar geactualiseerd. De tegel draagt kennis van pigment, aggregaat en handeling; hij belichaamt een continuïteit die opnieuw relevant wordt binnen een globale architectuurcultuur.
Deze beweging naar materiële herwonnenheid krijgt haar meest radicale uitdrukking in de sociale woningbouw van het Instituto Balear de la Vivienda, IBAVI. Waar sociale huisvesting elders vaak synoniem is met kostenoptimalisatie en standaardisering, gebruikt IBAVI haar projecten als onderzoeksplatform. Materialen worden geëvalueerd op basis van koolstofuitstoot, herkomst en thermische prestaties. In projecten in Palm worden marès-wanden en zelfs gewelven ingezet om beton te minimaliseren. Wat ooit als archaïsch werd beschouwd, wordt opnieuw onderzocht als technologie. Hier verschuift de volgorde van het ontwerpproces fundamenteel: niet eerst vorm en dan materiaalkeuze, maar materiaal als beginpunt van architectuur. In een tijd waarin de bouwsector wereldwijd verantwoordelijk is voor een aanzienlijk deel van de CO₂-uitstoot, positioneert IBAVI sociale woningbouw als laboratorium voor decarbonisatie.
De aanwezigheid van internationaal bekende figuren zoals Jørn Utzon en Joan Miró krijgt binnen dit kader een nieuwe betekenis. Utzons Can Lis en later Can Feliz zijn geen exotische uitwijkingen van een modernist, maar diep verankerde studies in plaatselijke materialiteit. Zijn gebruik van marès, zijn oriëntatie op zon en wind, tonen hoe modernisme kan versmelten met territorium. Miró’s ateliercomplex op Mallorca bevestigt het eiland als productieve ruimte, waar licht en landschap deel worden van het creatieve proces. Beide figuren legitimeerden het eiland als plek van ernst, niet louter als toevluchtsoord.
Wat zich op Mallorca en Menorca ontvouwt, kan daarom worden begrepen als een streven naar materiële soevereiniteit. Dat begrip verwijst naar het vermogen van een regio om haar eigen grondstoffen en kennisstromen te beheren. Het is geen gesloten regionalisme; internationale invloeden blijven aanwezig. Maar zij worden geïntegreerd zonder ontworteling. Architectuur ontstaat niet ondanks de grond, maar dankzij haar.
In een tijd waarin globalisering en klimaatcrisis de bouwpraktijk onder druk zetten, bieden de Balearen een onverwachte les. Vooruitgang hoeft niet te betekenen dat men zich losmaakt van plaatselijke materie. Integendeel, misschien begint vooruitgang precies bij het opnieuw leren lezen van de grond onder onze voeten.
geschreven door
Dominique Pieters
Dominique is oprichter en creatief leider van planopli. Ze is architect van opleiding, auteur en architectuurjournalist voor (inter)nationale tijdschriften. Eerder was zij artistiek leidster van Archipel en doceerde aan de TU Delft en de KU Leuven.